‘Het spijt me het spijt me liefje. Ik kon niet anders. Ik hou van je! X’
Dat staat er in het sms’je van Luna. Ik krijg het ijskoud.
‘Wat bedoel je precies met: Ik kon niet anders?’ stuur ik terug. Ik lig op de bank bij Fabian, die me heeft ‘gedekt’ gisteravond en me uit het ziekenhuis heeft opgehaald.
Mijn hoofd doet pijn en bonkt. Langzaam komt de hele avond terug in mijn geheugen: het schooljaar is afgelopen en we wilden ter afsluiting een feestje geven. Waarom dat uitgerekend in het Amsterdamse Bos moest gebeuren kan ik me niet meer herinneren.
We zaten gisteravond met ongeveer veertien man aan de rand van het grasveld onder een boom. Luna had haar picknickkleed meegenomen en we hadden het heel gezellig. Iedereen had alcoholische drank meegenomen met als doel ons nog dichter bij elkaar te brengen. Dit lukte vrij goed en al snel kwamen de verhalen bij iedereen los over seks, liefde en haat. Helaas kan ik me daar niet veel meer van herinneren.
Ik weet nog wel het moment dat we ineens langs een met gras begroeide helling naar beneden glibberden. Met welke intentie is me niet duidelijk. Waarschijnlijk wilden we aan het water gaan zitten. Het gras was nat en mijn schoenen niet gripvast genoeg en voordat ik het wist lag ik op mijn rug en sjeesde naar beneden. Mijn glij werd gestopt door een bankje beneden aan de helling.
Eén moment werd alles zwart. Toen ik mijn ogen opendeed, was alles heel wazig. Ik voelde iets kloppen in mijn achterhoofd, op de plek waarmee ik tegen het metalen bankje aan was gekomen. Toen ik er met mijn vingertoppen aan voelde, merkte ik dat er een substantieel gat zat. Even dacht ik dat ik hallucineerde door de dreun, die mijn hersenen op hadden gelopen; het kon toch niet dat er een stúk uit mijn achterhoofd was? Toen ik mijn vingers bekeek zaten ze onder het bloed. Ik was niet eens bang, alleen maar verbaasd. Al snel merkten de anderen dat er iets was en ze kwamen om me heen staan. ‘Wat? Is ze gevallen?’ ‘Tegen het bankje? Hoe dan?’ ‘Bloed je? Ahh bloed! Help! Gadver!’ ‘Madelief, je hebt een gat in je hoofd!’
Ik weet het. Al snel is iedereen er. Er wordt besloten om naar het ziekenhuis te gaan. We lopen het bos uit naar het VU-ziekenhuis. Iedereen stelt me vragen om me bij bewustzijn te houden: ‘Wat is je volledige naam?’ ‘Waar woon je?’ ‘Op welke school zit je?’ ‘Hoe heten je ouders? En je zusjes?’ Ik antwoord op alles correct.
We komen in het ziekenhuis en worden in de wachtkamer gezet. Elke keer als ik met mijn vingers over mijn achterhoofd strijk, zit er meer bloed aan. Ik vraag me wazig af wanneer dit bloeden eens zal stoppen. Iedereen zit om me heen en zegt dat ik ervanaf moet blijven. Ik zie overal bezorgde gezichten. Dan komt de dokter en ook hij begint me vragen te stellen: ‘Naam en achternaam? Waar ben je tegenaan gevallen? Hoe kon dat gebeuren? Hoeveel heb je gedronken? Ben je buiten bewustzijn geweest?’ Ik heb niet veel gedronken – drie biertjes – ik ben gewoon uitgegleden en nee, buiten bewustzijn kon je het niet noemen.
We gaan naar een aparte kamer en ik moet op een ziekenhuisbed gaan zitten, terwijl de dokter mijn wond bekijkt. ‘Dat ziet er niet best uit,’ zegt hij. ‘Ik ga proberen je huid aan elkaar te lijmen en als dat niet lukt zal ik het hechten.’ Hij bestrijkt mijn wond en de huid eromheen met een koud doekje met ontsmettingsmiddel. ‘Dit zal wel een beetje een branderig gevoel geven.’ Het doet pijn. Ik zie dat ik de hele muur rood bevlekt heb. Dit valt tamelijk op, want de muur zelf is geel.
‘We moeten je ouders bellen,’ zegt Carmen paniekerig.
‘Nee!’ roep ik hysterisch. Ik heb tegen mijn ouders gezegd dat ik vanavond een sláápfeestje had BIJ CHRIS THUIS, omdat ze me – heel kinderachtig- misschien niet zouden laten gaan als ze wisten dat ik van plan was om de nacht door te brengen in het bos.
Na lang aandringen van mijn kant wordt besloten om niet mijn ouders, maar mijn oom dan in godsnaam maar te bellen. Toen mijn hoofdhuid weer vastzat, arriveerde Fabian. We besloten om met de taxi naar zijn huis te gaan. Daar aangekomen wilden we nog een filmpje kijken, maar ik was zo moe dat ik ‘The nutty professor’ niet helemaal meer volgde en toen zijn we maar gaan slapen.
En nu lig ik op zijn bank met mijn mobiel in mijn trillende hand. Ik weet al wat ‘Ik kon niet anders’ betekent: dat ze alles heeft verteld aan haar ouders. Die hebben hoogstwaarschijnlijk weer mijn ouders gebeld, nadat ze het hele bloederige verhaal hadden gehoord. En ja hoor, nog geen minuut later belt mijn vader me.
‘Zal ik je maar even komen ophalen?’ vraagt hij mat.
‘Ja, doe maar,’ kreun ik, terwijl mijn hart als een gek begint te bonzen.
Dat gaat een leuk gesprekje worden.
Madelief Wijdeveld (14),
Woont in Amsterdam als dochter van twee jonge ouders en grote zus van Emma (3), Hannah (5) en Roos (12). Zit in de vierde klas van het vwo en heeft dus volop ervaring met kinderen. Vindt dat ouders recht hebben op een globaal overzicht van wat hun puber uitvoert in zo’n klaslokaal en daarbuiten.
J/M is een informatief, journalistiek maandblad met een uitgebreide website vol achtergrondinformatie voor ouders van 4- tot 16-jarigen. J/M richt zich op alle aspecten van het ouderschap. Niet belerend, maar praktisch, toegankelijk en betrokken. De redactie informeert ouders helder en deskundig over de vele beslissingen die bij het opvoeden gemaakt moeten worden.
